De pepermuntjespot-theorie

pepermuntHet is eigenlijk gewoon zo gegroeid, misschien is in gesleten wel een betere woordkeuze. Elke maandagavond gaan we met zijn allen naar de sportschool. De ene komt juist op maandag, omdat dan manlief op de kinderen past. Weer een andere, omdat de maandagavond gewoon het beste in de agenda past. Maar de meeste komen gewoon voor de gezelligheid.

Deze week ging ik, nadat ik mijn rondje van oefeningen en aparaten had gedaan, weer naar huis. En terwijl ik me, pratend met een medesporter, naar de uitgang begaf, pakte ik nog even snel een pepermuntje uit de pepermuntjespot die op de tafel bij de hoofdingang staat.

“Eigenlijk zouden ze het moeten verbieden”, zei mijn medesporter en hij wees op de pepermuntjespot.

“Waar doel je precies op?”, vroeg ik hem toen ik hem niet direct begreep.

“Nou zo’n pot waar iedereen met zijn handen in zit, dat kan de Mexicaanse griep verspreiden.”, legde hij me uit.

Ik wist niet zo heel goed wat ik er van me moest denken, want aan de ene kant zou het zomaar kunnen – er zijn immers veel mensen die deze sportschool bezoeken en ik heb geen idee waarheen ze allemaal geweest zijn op hun vakanties – en aan de andere kant vind ik het wel ietwat ver gezocht.

De dag erop installeerde ik me achter mijn bureau en was ik de pepermuntjespot-theorie van mijn medesporter al weer compleet vergeten. We zitten met acht collega’s op een kamer, en op die kamer hebben we een snoeppot. Er is geen vaste afspraak over, maar om de beurt vullen we die pot. En als we hem zelf niet leeg eten dan is er altijd wel iemand die langskomt en even een handje snoep uit onze snoeppot grist. Op het moment dat ik onze snoeppot zag, moest ik ineens weer aan de pepermuntjespot-theorie van mijn medesporter denken en ineens had ik geen behoefte meer aan een snoepje.