Speurtocht naar de hanenkam

De laatste dagen ben ik vooral bezig met een onderzoek voor een verhaal dat ik aan het schrijven ben. Bij mij begint het schrijven van een verhaal  meestal enkele weken, soms zelfs maanden, voor ik het aan het spreekwoordelijke papier toe vertrouw. In mijn hoofd bedenk ik de verhaallijnen en de hoofdpersonen die ik er in wil verwerken. En soms verwerk ik er een stuk geschiedenis in, waarin ik me dan eerst moet verdiepen. In dit verhaal zit een scene waarin de hoofdpersoon meedoet aan de demonstratie tegen kruisraketten op het Museumplein in Amsterdam. Nu kan ik me dat niet helemaal meer goed herinneren, want ik was destijds amper 7 jaar oud. Op twitter gooide ik een aantal vragen, en al gauw kreeg ik van een aantal medetwitteraars de antwoorden die me verder hielpen met het onderzoek. Het blijft een mooi medium het internet. Moest je vroeger nog naar de bibliotheek om oude krantenartikelen te lezen, of achter de Terminal zoeken naar boeken die over bepaalde onderwerpen gaan. Zo heb je tegenwoordig op het internet, bijna alle informatie vanaf je luie stoel tot je beschikking.

Gedurende mijn onderzoek dacht ik regelmatig terug aan de zomer van 1984, toen ik samen met mijn toenmalige buurvrouw, mijn moeder en mijn broer, een weekje ging logeren in Amsterdam. Op televisie zag je, in die tijd, veel punkers met hanenkammen. Al weken voor we naar Amsterdam gingen, hadden mijn broer en ik het erover dat we eindelijk hanenkammen in het echt zouden zien, best grappig waar je als kind zo al naar uitkijkt. We keken niet naar alles uit, zo hadden we niet echt de behoefte om skinheads te zien. Op de een of andere manier linkten we alle skinheads met de moord op Kerwin Duynmeier op 20 augustus van het jaar ervoor.

We logeerden die week bij de oudste dochter van onze buurvrouw. Die dochter woonde in een tweekamerappartement en had nog een zolderkamer waar een groot logeerbed stond. Mijn broer en ik sliepen samen met mijn moeder op die zolderkamer en onze buurvrouw sliep samen met haar dochter in het appartement. Het appartement was wat aan de kleine kant voor zoveel mensen, maar het was er knus en gezellig. Eigenlijk was alles aan die week imposant. De geuren van het exotische voedsel die je, in de trappenhal van het appartementencomplex, tegemoet kwamen en de samensmelting van al die verschillende culturen die in Amsterdam leven. Zoiets had je niet in het dorpje waar ik geboren ben. Voor een tienjarige jongen leek het alsof Amsterdam in een ander land lag, alleen spraken ze in dat andere land gewoon Nederlands.

Die week dat we in Amsterdam verbleven bezochten we Artis, liepen veel door het centrum en bezochten ook de Zaanse Schans, met al zijn groene, houten huisjes, de plaats waar de eerste Albert Heijn staat. We gingen op bezoek bij een andere dochter van onze buurvrouw die ergens in de buurt van de Zaanse Schans op een camping verbleef. Daar at ik voor het eerst geitenkaas, tot dan toe wist ik niet eens dat geitenkaas bestond. Ook ons bezoek aan de Albert Cuyp is iets dat me is bijgebleven. Daar kocht ik mijn eerste singel voor 2 gulden 50. Het was “I save the day” van Roberto Jacketti & the Scooters.

Bij thuiskomst heb ik het singeljte werkelijk grijs gedraaid. Telkens als ik dat singeltje opzette, ging ik in gedachte weer terug naar de stad Amsterdam. De stad waar ik zoveel nieuwe dingen zag, maar ook de stad waar we geen hanenkammen hebben gezien. Want hoe goed we ook keken, en waar we ook kwamen, er was geen enkele hanenkam te bekennen. Dat was voor mij en mijn broer een kleine domper, maar het heeft de pret niet gedrukt.